Een stil maar krachtig werk dat de veerkracht van binnenuit verbeeldt. De lagen in het doek zijn langzaam opgebouwd — als littekens, als sediment. Geen explosie van kracht, maar een innerlijke stevigheid die groeit in stilte.
Mijn kast puilt uit. Er is een overvloed aan jurkjes, rokken, t-shirts, broeken, shorts, topjes, bloesjes, vesten en bikerjacks in verschillende kleurschakeringen, stijlen en materialen. Ik ben geen hoarder. Zo eens in het jaar, soms wel twee keer, ga ik kritisch door mijn garderobe en geef ik alles weg wat ik langer dan een jaar niet heb gedragen. Dat is vaak best veel. Desondanks blijft er een massa aan kleding over. En dan laat ik bijzondere items die je nou eenmaal niet geregeld kunt dragen noch wegdoet, zoals gelegenheidskleding als mijn bruids-, gala- of cocktailjurken, buiten beschouwing. En toch, zodra het weer zoals nu weer langzaam omslaat van winter-koud naar lente-warm, staar ik ‘s morgens naar mijn kast en denk ik alleen maar: pfff, ik heb echt niets leuks om aan te trekken!
Direct erna volgt de schaamte. Er ligt en hangt zoveel, dat ik amper overzicht heb. Toegegeven, als ik onderscheid zou maken tussen mijn herfst/winter- en lente/zomer garderobe, zou slechts de helft overblijven. Maar dan nog is dat belachelijk veel. Dat ik desondanks tegen mezelf durf te zeggen dat ik misschien toch op zoek moet naar nieuwe shirtjes of dat ik andere items nodig heb vind ik gênant en fascinerend tegelijk.
Een paar jaar geleden ervoer ik zo rond de jaarwisseling iets vergelijkbaars. Naar mijn idee kon ik elke dag van de maand een ander outfit aan zonder in herhaling te hoeven vallen. Dat vond ik zo’n achterlijke gedachte, dat ik meteen wist wat mijn goede voornemen voor het nieuwe jaar zou worden: een jaar lang niet shoppen. Hier had ik goed over nagedacht. Ik mocht van mezelf onder geen beding nieuwe kleding of schoenen kopen, tenzij iets daadwerkelijk vervangen moest worden. En dat vervangen mocht niet als er in mijn kast nog iets vergelijkbaars te vinden was.
Zo had ik bijvoorbeeld drie paar zwarte pumps. Zou één van de drie stuk gaan of om welke reden dan ook niet meer te gebruiken zijn, dan mocht ik die dus niet vervangen. Ik had immers nog twee paar andere zwarte pumps. Maar van tennisschoenen had ik maar één paar, die inmiddels echt versleten waren en het einde van het jaar zeker niet zouden halen. Deze mocht ik van mezelf wel vervangen. Waar ik mezelf ook toestemming voor gaf, was het aanschaffen van accessoires, waar ik bestaande items mee kon opleuken of upgraden. Ook hier gold echter de regel: als er al iets vergelijkbaars voorhanden was, mocht het niet.
Mijn vrienden en familie hadden er weinig vertrouwen in dat ik het vol zou houden. Veer, shopaholic en fashion-lover, die een jaar lang alle modetrends aan zich voorbij laat gaan en in ‘oude meuk’ gaat lopen. Onmogelijk. Dat was net het zetje dat ik nodig had om door te zetten. Want hoe meer mensen twijfelden aan de uitvoerbaarheid van mijn voornemen, hoe meer ik erop gebrand was het vol te houden. En het lukte.
De eerste keer dat ik met mijn hubbie de stad in ging voelde raar. Ik zag mooie spullen in de etalages en dacht eraan hoe leuk het zou zijn om dat te kunnen dragen en hoe jammer het was dat ik dat helaas aan me voorbij moest laten gaan. Maar naarmate de tijd verstreek veranderde het gevoel van spijt in een gevoel van bevrijding. Het deed me niet alleen niets meer dat we de dames winkels en -afdelingen links lieten liggen, ik waardeerde steeds meer wat ik allemaal wél in mijn kast had hangen. En ik besefte dat ik er ook zonder nieuwe spullen en met een beetje creativiteit nog aardig fashionable uit kon blijven zien.
Met uitzondering van de tennisschoenen heb ik een jaar lang helemaal niets gekocht. Zelfs de accessoires niet, waar ik tóch toestemming voor had. Sterker nog, ik heb zeker tot maart of april van het jaar erop niets meer aangeschaft. Mijn shop-less jaar werden uiteindelijk 15 maanden.
Het jaar niet shoppen had namelijk twee bijwerkingen. De eerste was dat ik, toen het eenmaal weer mocht, veel kritischer keek naar de items die mijn aandacht trokken. Dan bekeek ik ze, paste ze misschien zelfs ook nog, maar kwam dan vaker wel dan niet tot de conclusie dat ik ze niet echt nodig had of dat ik ze het geld niet waard vond. Mind blowing! Want in een ander leven had ik er geen seconde over nagedacht ze te laten hangen.
De tweede bijwerking was dat het leek alsof ik het shoppen zelf was verleerd. Zo makkelijk als ik vóór dat jaar met een paar items meerdere setjes bij elkaar kon toveren, zo onmogelijk scheen het me toe nadat ik zo lang niet meer had geshopt. Regelmatig probeerde ik wel van alles, maar zo helder alle mogelijke combinaties voor me zien zoals vroeger gebeurde niet meer. Met als gevolg dat het allemaal niet meer zo nodig hoefde, dat winkelen. Mijn shop-less jaar werd gevolgd door een shop-luw jaar. Al met al een goede ontwikkeling.
Maar wat blijkt? Net als fietsen of schaatsen verleer je het shoppen nooit echt helemaal. In het begin ben je misschien wat roestig, sta je wat onvast op je benen, maar met een beetje oefening ga je voor je het weet weer als een speer. En dus puilt mijn kast inmiddels weer uit.
Afgelopen december overwoog ik daarom om 2021 weer tot shop-less jaar te bestempelen. Maar iets in me weerhield me ervan dat voornemen officieel uit te spreken. De bruiloft van een vriendin op Bonaire bijvoorbeeld. De grote trip ter ere van onze 20-jarige vriendschap met een andere vriendin, die we door corona noodgedwongen een jaar hebben moeten verschuiven. En corona zelf, waardoor we al zo weinig andere pleziertjes hebben.
Nee, het officieel uitroepen van 2021 tot shop-less jaar gaat me dit keer een stap te ver. Maar de eerste 3,5 maanden zitten in elk geval in de pocket en elke maand die erbij komt is bonus. Nu het zonnetje weer schijnt is het een mooi moment om mijn kast weer eens onder handen te nemen en licht in het duister scheppen. Dat zal mijn behoefte aan meer en nieuw wel temperen. En om het mezelf makkelijker te maken neem ik me voor de komende periode in elk geval voor om net zo kritisch op elke mogelijke nieuwe aankoop te zijn als ik was vlak na mijn shop-less jaar. Daarnaast is het wellicht ook verstandig alle nieuwsbrieven van modemerken ongeopend naar de prullenbak te verwijzen. Althans, de meeste dan…
‘Genoeg over mij, hoe gaat het met jou?’ Samen met mijn vriendin ben ik aan het uitwaaien op het strand. Er gebeurt van alles in haar leven, waar we het uitvoerig over hebben gehad. Nu zij de aandacht echter op mij vestigt, weet ik niet zo goed wat ik moet zeggen. ‘Goed,’ antwoord ik. Punt. Het voelt op de een of andere manier niet oké om er uitgebreid bij stil te staan dat het eigenlijk heel goed met mij gaat. Ik probeer daarom nog wel iets te bedenken waarmee ik aan dat goed nog een draai kan geven, maar het blijft bij een stilte.
We wandelen verder, terwijl allerlei andere onderwerpen de revue passeren. Ik ben er alleen niet helemaal bij met mijn hoofd. Mijn antwoord van zojuist zit me dwars. Hoezo goed, punt? Alsof goed iets beschamends is. Waarom moet ik er voor mijn gevoel maar niet te veel over zeggen, er niet te lang bij stilstaan? Waarom vind ik dat ik naar iets moet zoeken om dat goede af te zwakken?
Het antwoord komt even later ongevraagd van mijn vriendin. ‘Ik vind het echt heerlijk, dit! Ik zou er zo aan kunnen wennen,’ zegt ze. En meteen erachteraan: ‘Daar voel ik me wel schuldig over, naar mijn dochter toe, dat ik ervan geniet om het weekend voor mezelf te hebben.’
Dat is het dus. Schuldgevoel. We gunnen het onszelf niet om gewoon gelukkig te zijn. We vullen het automatisch aan met een verontschuldiging. Omdat we kennelijk vinden dat het eigenlijk niet mag, zomaar gelukkig zijn. Of, als het wel mag, dan is het in elk geval wachten op het moment dat het misgaat. Immers, er zijn geen rozen zonder doornen. Je moet de dag niet prijzen voordat het avond wordt.
Nu het kwartje is gevallen, bedenk ik me dat het zich niet beperkt tot het korte antwoord op de vraag ‘hoe gaat het met jou?’ Ik zie het mezelf ook doen in allerlei andere situaties, wanneer ik mensen vertel over dingen die me blij maken. Altijd nog een negatieve twist verzinnen, omdat ik me schuldig voel voor mijn geluk. Een maar die ik achter mijn pleziertjes kan plakken, om ze af te zwakken. Omdat ik het bijna gênant vind tegenover mijn gesprekspartner om te vertellen hoe goed het gaat, hoe goed ik me voel. Vooral wanneer die ander even in een iets mindere periode zit. Eigenlijk ben ik dan dus niet echt, wil ik dan mezelf blijkbaar niet helemaal laten zien.
We kijken er niet raar van op dat we niet gelukkig zijn, maar vinden daarentegen geluk zó bijzonder, dat het ofwel gepaard moet gaan van schuldgevoel, ofwel dat het slechts kortstondig mag en kan zijn. Dat hebben we te wijten aan onze opvoeding, onze cultuur, onze religieuze achtergrond. Boetedoening om niets.
Best raar, als je erover nadenkt. Een kind dat nog in al zijn onschuld en verwondering in het leven staat, heeft plezier in de dingen die het doet. Als het blij is, staat het er toch ook niet bij stil dat het eigenlijk niet kan, zomaar gelukkig zijn? Dat komt omdat gelukkig zijn onze natuurlijke staat is en een kind nog niet beïnvloed is door verwachtingen en percepties. Of, zoals Mo Gawdat schrijft in zijn bestseller ‘De logica van geluk’: geluk is onze standaard fabrieksinstelling. We hebben dan ook helemaal geen reden om ons er schuldig over te voelen.
Sterker nog, als we gelukkig zijn, zouden we dat van de daken moeten schreeuwen. Die positieve energie, die zouden we moeten delen. We zouden het juist wél moeten hebben over de dingen die ons blij maken. Want volgens de wet van de aantrekkingskracht, vermenigvuldigt die energie zich op het moment dat we er dankbaar voor zijn, het waarderen, het delen. Elke keer dat ik dus een maar verzin of ‘goed, punt’ antwoord, doe ik niet alleen mijzelf tekort, maar ergens ook de ander.
Vanaf nu neem ik me daarom voor om zo oprecht mogelijk te reageren, als iemand mij vraagt hoe het met mij gaat. En onbekommerd te genieten van het goede dat me overkomt. Geen schuldgevoel. Goed, punt, wordt goed, want … Geluk moet je immers delen.
Ik heb geen groene vingers. Als ik in de tuin aan de slag ga, is dat óf omdat het onkruid dusdanige vormen heeft aangenomen dat zelfs ik er niet meer overheen kan kijken óf omdat ik in de lente geïnspireerd raak door de fleurige tuinen van mijn buren en ik dan toch maar een ritje naar het tuincentrum maak. Afgelopen voorjaar kocht ik er een klein rozenboompje. Ik deed hem in een mooie pot, voorzag hem van speciale rozen-potgrond, voegde er rozen-voeding aan toe en gaf hem elke dag veel water. Hij deed het goed, fier rechtop, gezonde, diepgroene bladeren, sterke knoppen en geurige donkerrode rozen.
Na een week of twee verslapte mijn aandacht voor het boompje en het bewateren ervan en liet ik het over aan de natuur. Dat was niet zo slim. Het werd een rete hete zomer en bovendien vangen planten in potten sowieso minder water op dan planten die gewoon in de grond staan. Als het al regende, was het boompje nog steeds dorstig. Het was daarom geen verrassing dat hij, toen we terugkeerden van vakantie, alleen nog bestond uit dorre blaadjes en verlepte bloemknoppen.
Geïnspireerd door mijn zus, die niet zo heel lang daarvoor een doodziek rozenstruikje weer tot leven had gewekt met liefde en aandacht, nam ik me voor hetzelfde te doen met mijn boompje. Ik gaf hem elke dag een paar keer een flinke scheut water en overlaadde hem met lieve woorden (je weet maar nooit). Voor ik het wist werden de lelijke, dorre delen vervangen door verse, sterke, knalgroene blaadjes en nieuwe, diep donkerrode knoppen. Het duurde niet lang of hij was volledig hersteld. En ook niet tot mijn aandacht vervolgens weer verslapte en de bruine blaadjes wederom de overhand kregen.
Op een ochtend staarde ik onder het genot van een dampende kop koffie naar mijn verdorde rozenboom. Ik was aan pauze toe, want ik was de halve ochtend weer eens druk bezig geweest mezelf te overtuigen waarom ik niet goed genoeg was om te doen wat ik wilde doen. Ik staarde naar het boompje en dacht: alles wat aandacht krijgt, groeit. Het is een open deur. Ik had het al in talloze artikelen in Happinez magazine gelezen, in de film van The Secret gezien, ik had de boodschap in zelfhulpboeken voorbij zien komen. Maar nu pas, nu ik besefte wat mijn aandacht met het boompje had gedaan, was het me helderder dan ooit.
Wat aandacht krijgt groeit. Zo simpel is het. En in al zijn simpelheid was het voor mij het beste inzicht van het afgelopen jaar. Of hetgeen dat aandacht krijgt nou positief of negatief is doet er namelijk niet toe, aandacht betekent groei. Dat is heel fijn als het om prettige dingen gaat, om fijne emoties, gedachten of situaties. Het geldt echter net zo goed voor negatieve gedachten, gevoelens of situaties en dan ben je af. Wanneer je steeds bij het negatieve stil staat, er alsmaar aandacht aan geeft, dan groeit het. Dan gaat het je beheersen. Zolang je steeds maar weer iets oprakelt, iets benoemt, iets onder de aandacht brengt of bevestigt, positief of negatief, wordt het alleen maar groter.
Dat betekent tevens dat het tegenovergestelde ook waar is: wat verwaarloosd wordt, verlept! Als je dat doet bij zaken waar je blij van wordt, doe je jezelf tekort. Maar als je dat doet bij dingen die je in de weg zitten, geef je ze geen reden tot bloei! Van dit inzicht werd ik met name blij. Want het was de oplossing voor een hele hoop beperkende gedachten die ik had (je kan het niet, je bent lang niet goed genoeg, je kunt het beter aan anderen overlaten), waardoor ik niet deed wat ik wilde doen. Dingen zijn leuk of dingen zijn kut. Hoe meer aandacht je aan de leuke dingen schenkt, hoe groter de impact ervan. En hoe minder aandacht je aan vervelende dingen schenkt, hoe kleiner de impact.
Koester dus het goede en fijne als een rozenboompje dat door aandacht en water groeit en bloeit. En verwaarloos het nare zoals het rozenboompje dat vergeten in een hoek van de tuin alleen nog maar bestaat uit dorre bladeren en levenloze knoppen. Met die gedachte in het hoofd en een grote glimlach op mijn lippen nam ik nog een slok koffie en stortte ik me op hetgeen ik steeds maar had uitgesteld.
Het beeld trof me als een mokerslag. Schuin tegenover me in de metro zat een jonge vrouw met op haar schoot een ietwat beweeglijk kindje. Het zal een jaar of twee zijn geweest. Met zijn vingers verkende hij de moeren in de kozijnen rondom het raam, alsof ze iets wonderlijks waren dat hij nog nooit eerder had gezien. De ene na de andere, kijken, voelen, duwen, zijn moeder met een glimlach wijzend op zijn ontdekking van de dag.
Even later vleide hij zich tegen haar aan, liefdevol zijn kleine handje op haar hals, zijn krullenbol tegen haar borst. Heel even leek de lucht weggezogen te worden. Druk op mijn borst, een brok in mijn keel. De drang om haar aan te spreken, haar op het hart te drukken dat ze er met volle teugen van moet genieten, nu het nog kan. Dat ze elke verwondering, elke glimlach, elke kus, elke knuffel, elk woord en elke seconde zo bewust mogelijk moet meemaken, nu zij nog het middelpunt van zijn bestaan is. Dat het cliché geen cliché is: de tijd vliegt écht voorbij, voor je het weet…
Maar ik zei niets, het zou aan dovemansoren gericht zijn. Een goed bedoeld advies van een vreemdeling, ontvangen met een glimlach, later wellicht onderwerp van gesprek (wat mij nou toch in de metro overkwam vanmorgen!), maar haar ene oor in en andere oor uit. Zo was ik zelf immers ook geweest.
Mijn vader heeft het mij keer op keer op het hart gedrukt: ‘Je moet van je kinderen genieten, elke dag weer. Voor je het weet zijn ze volwassen. De tijd vliegt voorbij.’ Ja ja, dacht ik dan. Ik bedoel, ik begreep wel waarom híj dat zei. Terwijl mijn broers en ik in Nederland opgroeiden zat hij in Mexico. Hij zag ons misschien een paar weken per jaar, elke keer weer een stuk groter dan het jaar ervoor. Voor hem ging het ook daadwerkelijk met sprongen.
Bij mij was het natuurlijk anders, ik zag mijn kinderen elke dag. En ik genoot van ze. Maar ik moest ook werken. Het huishouden draaien. Voor ze zorgen. Alle ballen in de lucht houden. En de tijd ging echt niet zó snel, ik was er zelf bij. Sterker nog, het zou juist fijn zijn als ze ietsje zelfstandiger zouden zijn, mij iets meer ruimte gunden. Dus als ik weer advies kreeg, van hem of mijn oma of wie dan ook, glimlachte ik vriendelijk en zei ik: ‘ja, natuurlijk!’ Maar ik dacht: ‘yeah right’. Had ik het even mis. De tijd vliegt niet. De tijd raast.
Kinderlijke onschuld
Bovenaan de trap hangt een grote portretfoto van mijn jongens: o zo klein nog, speels en ondeugend, hun karakters in hun ogen te lezen. Vertederd kijk ik ernaar, elke keer dat ik er voorbij loop. Ik kijk ernaar en ik denk terug aan de tijd dat ik hun alles was. Dat ze het liefst de hele dag om mijn nek hingen, zelfs als het zo heet was dat de mussen van het dak vielen. Dat ze me overal achterna liepen, om maar in mijn buurt te zijn. Dat ze geborgenheid zochten op mijn schoot als ze verdrietig waren. Dat niets ze gelukkiger maakte dan bij mij zijn. Had ik al die gebaren maar op waarde geschat toen het nog kon. Naar de wijze woorden van mijn vader geluisterd. Hij had gelijk, die tijd is voorbij gevlogen en komt nooit meer terug.
Mijn jongens zijn nu 14 en bijna 17. De oudste heeft al een bijbaantje en staat te popelen om binnenkort een keer een nachtje alleen thuis te mogen blijven. Over het algemeen vegeteren ze op hun kamers, of zijn ze buiten met vrienden en laten ze zich alleen zien als ze trek hebben of iets van ons gedaan willen krijgen. Soms, als ze er zin in hebben, voeren we een leuk gesprek en in heel uitzonderlijke gevallen doen we samen een spelletje. Maar meestal zijn wij ouders meer een last dan een lust en is tijd met ons doorbrengen een offer.
In de zeldzame gevallen dat ik dus tegenwoordig een knuffel krijg, zo’n welgemeende, stevige kroel, zomaar uit het niets, geniet ik er met volle teugen van. Zie ik het als een onverwacht cadeautje. Want juist nu hun wereld uit allemaal andere belangrijke mensen bestaat, laat zo’n gemeende knuffel mijn hart gloeien. En ondertussen verkondig ik het cliché en vertel ik aan iedereen die het wil horen – en niet wil horen: geniet nu het nog kan, want de tijd vliegt en voor je het weet zijn ze groot.
Het is weekend. Na een week van stevige vorst zoeken mijn vrienden en ik de vijver in de wijk op, binden de schaatsen onder en genieten van het geluid van de ijzers op het ijs, de warme chocomel die gratis wordt uitgedeeld en de herinneringen die het tafereel oproept aan vroeger, toen we praktisch elke winter konden schaatsen op natuurijs.
Schaatsen op natuurijs in de wijk
Het is net als fietsen, dat schaatsen, je verleert het niet. Zodra ik het ijs op stap is het nog wat wiebelig, maar binnen de kortste keren gaat het weer als vanouds. Althans, de basis dan. Die kunstjes die ik vroeger kon, zoals pirouetjes draaien, mooie bochten achteruit schaatsen, op één been rijden, daar waag ik me beter niet meer aan. Ik ben al blij dat ik enigszins gracieus vooruit over het ijs kan glijden.
Dat geldt niet voor mijn vriend D, die zodra hij op het ijs staat verandert in een (vindt hij zelf) stoere ijshockey schaatser. Hij haalt alles uit de kast en mijn vriendin en ik lachen er een beetje om. Niet om hoe hij schaatst, daar ben ik serieus van onder de indruk. Nee, we lachen om hoe graag hij dat wil laten zien. Hij is een man van vijftig, maar lijkt achter die stoere ijshockey façade bijna weer een onzekere tiener die wil horen hoe goed hij is.
Later, als ik weer thuis ben denk ik er nog eens over na. Wat is dat toch, die continue drang naar bevestiging van D? Want het bijna vrágen om bevestiging blijft niet beperkt tot het schaatsen. Hij heeft dat wel vaker, dat willen delen hoe goed hij is of hoe goed hij dingen voor elkaar heeft. Ik lachte er vanmiddag om, maar hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik me afvraag of we dat niet allemaal in meer of mindere mate hebben.
Als ik eerlijk naar mezelf kijk, ben ik toch eigenlijk precies zo? Wil ik niet ook de bevestiging krijgen dat de maaltijd waar ik de hele middag op heb staan ploeteren heerlijk smaakt? Word ik er niet ook heel blij van als mijn reisgenootjes erkennen dat ik echt een tof hotel heb gevonden of een fijne route heb uitgestippeld? Wil ik niet ook horen dat ik zo’n zorgzame moeder ben? Dat het feestje dat ik voor mijn vaders 75e verjaardag georganiseerd heb niet beter had kunnen uitpakken? Dat de stukken die ik schrijf goed of vermakelijk zijn?
Volgens een artikel dat ik over het onderwerp vond op Psychologie Magazine hebben we allemaal inderdaad behoefte aan erkenning. Mensen willen gezien en gewaardeerd worden. Of dat nou op het werk is, op school, als vriend, als partner, als ouder, als zoon of dochter. Mensen willen horen dat wie ze zijn en hetgeen ze doen ertoe doet. Het gekke is dat wij mensen, hoewel we dus graag erkenning van een ander willen ontvangen, zelf over het algemeen niet al te scheutig zijn met het geven ervan. We verwachten dus wel dat een ander ons vertelt dat we iets goed doen, en vragen er soms onbewust om, zoals D, maar zien blijkbaar over het hoofd dat de ander eenzelfde behoefte aan erkenning heeft.
Toen ik dat las moest ik direct denken aan mijn zolder. Het was er sinds onze verhuizing in 2006 een grote (georganiseerde) bende. Tot ik vorig jaar terugkwam van een reis naar Chili en manlief de boel onder handen bleek te hebben genomen. Het was onherkenbaar, zo netjes. Wat fijn! En toch, dat ene compliment dat ik hem gaf over zijn inspanningen werd al snel overschaduwd door gezeur over dingen die hij weg had gedaan of niet logisch had opgeborgen. Ik had hem natuurlijk ook gewoon kunnen erkennen in zijn inspanningen en de frustratie over dingen die onvindbaar waren voor mezelf houden…of in ieder geval bewaren voor later. Dat zou ik zelf ook fijn gevonden hebben, als ik hem was geweest.
Iets vergelijkbaars geldt ook voor D op de schaats. Ik kan erom lachen, het sneu of overdreven vinden, me met mijn vriendin verwonderen over dat hij zo graag wil laten zien wat hij kan. Maar in de kern kost het mij weinig moeite om hem een gemeend compliment (ik was immers serieus onder de indruk) te geven over zijn schaatskunsten. Terwijl het hem de erkenning geeft waar hij zo naarstig naar verlangt! Misschien, als ik daar vaker in oefen, wordt het geven van erkenning voor mij net zoiets als fietsen: het gaat als vanzelf en je verleert het nooit.