Chileense gastvrijheid

Vandaag was het een jaar geleden dat ik met mijn twee friends-from-ever, Michèle en Marlies, een rondreis maakte door Chili en we aan den lijve ondervonden hoe onwaarschijnlijke gastvrijheid blijkbaar nog bestaat. 

Nadat we een paar dagen in het magnifieke woestijngebied van Chili hadden vertoefd, waren we naar Puerto Montt gevlogen om vanuit daar weer noordwaarts naar Santiago te rijden. Daar hadden we vijf dagen de tijd voor, genoeg om er een leuke roadtrip van te maken. We besloten via Puerto Varas, een schattig, toeristisch dorp aan een meer aan de voet van een vulkaan, verder noordwaarts te rijden en kilometers te maken.

Puerto Varas

Het meren- en vulkaan gebied rondom Pucón leek ons een toffe eerste bestemming. Dat lag op vier uur afstand, er was in het stadje zelf genoeg vertier en de omgeving bood voldoende opties om twee dagen door te brengen. Het vinden van een geschikte accommodatie bleek lastig, schijnbaar was het een populaire plek in deze tijd van het jaar. Maar tussen de weinige opties die nog beschikbaar waren, vonden we een leuk chalet, op een park niet al te ver van het centrum vandaan. 

Vanaf het moment dat we gereserveerd hadden, gebeurden er allerlei rare dingen, waardoor we een beetje unheimisch gevoel kregen over de accommodatie. Allereerst bleek dat de reservering pas bevestigd was, wanneer 50% van de kosten vooraf waren voldaan. Op zich geen gekke voorwaarde, behalve als je voor de dag zelf boekt. Na overleg met de Engelse eigenaresse kwamen we overeen dat ze een factuur via PayPal zou sturen, die ik direct kon betalen. Nu we ons dus echt van een plekje verzekerd hadden gingen we op pad. 

De route naar Puerto Varas was een grote groene haag van volle bomen in bloei, met op de achtergrond het uitzicht op de schitterende vulkaan met zijn besneeuwde top die ondanks dat we hem naderden, geen centimeter dichterbij leek te komen. Het dorpje zelf was een verademing om doorheen te struinen. Aan winkeltjes, restaurants en barretjes geen gebrek,  een schril contrast met het gebied waar we een dag eerder nog waren. 

Tijdens de lunch in een vrijwel verstopt, pittoresk, van rozenstruiken omgeven tuintje ontvingen we bericht van Alison, van de accommodatie. Ze was haar PayPal account wachtwoord kwijt en kon daardoor geen factuur sturen. Wederom een raar voorval, maar aangezien we ook haar akkoord hadden over de aankomsttijd, niet later dan elf uur ‘s avonds, niet te lang bij stilstaan. Vervolgens vertelde ze tussen neus en lippen door dat we cash moesten betalen. Nog iets waar we niet blij mee waren, dat zou ons zeker 10 dollar extra commissie kosten. Maar we hadden weinig keus en waren al onderweg, dus ook de cash regelden we. 

Het eerste deel van het traject verliep soepel. Pas toen we het laatste dorp naderden dat vóór onze eindbestemming lag, begon het verkeer drastisch toe te nemen en voor we het wisten reden we stapvoets in één lange colonne richting Pucón. Het was inmiddels al acht uur geweest, het zou niet lang meer duren of de zon zou plaatsmaken voor het donker van de bosrijke omgeving. Ondanks dat de route niet heel lang was geweest en voorspoedig was verlopen, begon de vermoeidheid toe te slaan. Gelukkig waren we nog slechts twintig minuten verwijderd van de eindbestemming, dertig misschien, als de file niet snel zou oplossen. Bijna tijd voor een wijntje!

Dachten we, want Alison had, terwijl we onderweg waren, even een WhatsAppje gestuurd dat ze onze boeking had geannuleerd, omdat er andere mensen waren gekomen. Na een heftige discussie was Alison om. We mochten toch komen. Dat dit tevens betekende dat ze die mensen die zogenaamd ter plekke betaald hadden, de deur moest wijzen, daar repte ze niet over. Waar het geld vandaan kwam leek haar dus niet te deren, als het maar binnen kwam. 

Hoewel het fijn was te weten dat we toch een plek hadden om te verblijven, wilden we er eigenlijk niet meer naartoe, maar hoeveel keus hadden we? Die ochtend was er al weinig beschikbaar geweest, dat zou nu alleen maar minder zijn.  Toch voelde het niet goed en ergens zouden we nog liever in de auto slapen dan dat we naar die bitch gingen. Waar we dan wel moesten slapen, er was immers niets meer, wisten we niet, maar in elk geval niet daar. 

WiFi met uitzicht

Omdat het bereik op de weg zeer te wensen over liet, besloten we bij het eerste hotel dat we tegenkwamen af te slaan, in de lobby een wijntje te bestellen en op die manier gebruik te maken van de WiFi, zodat we op zoek konden naar een slaapplek. Kansloos, in de wijde omtrek was elke accommodatie rood gekleurd. Het dichtstbijzijnde, beschikbare hotel lag op twee uur rijden. En het was inmiddels al negen uur geweest. De adembenemende schemering over het meer, waar de lobby uitzicht op had, zette snel door, het zou betekenen dat we in het aardedonker nog een aardige afstand zouden moeten overbruggen.

We hadden nog maar weinig fiducie dat we nog iets in of bij Pucón zouden vinden, dat zelfs de comfortabele sofa’s van de hotel lobby ons een goed alternatief leken. Niet dat we daarop zouden mogen crashen, maar toch. Bij toeval probeerden we een huisjes park dat we op AirBnb hadden gezien te bellen. Toen er werd opgenomen legde ik onze situatie uit, mezelf bij voorbaat verontschuldigend omdat ik het antwoord (we zijn vol) al wist. Mijn vraag moet doordrenkt zijn geweest van twijfel en hoop, want de vriendelijke dame aan de andere kant van de lijn was zelfs bereid mensen die onderweg waren om het laatste vrije huisje te bekijken weg te sturen. Na tien minuten werd mijn hoop echter de grond in geboord. De mensen waren naar het huisje komen kijken en wilden er graag verblijven. Het was een gezin met kinderen en een oude oma en de eigenaren konden het niet over hun hart verkrijgen om ze te weigeren. 

‘Maar ik weet iets anders. Mijn man en ik wonen ook op het terrein en hebben nog een logeerkamer in ons huis. Zoek maar niet meer verder, wij verhuizen naar het kleine tweepersoonsbed in de logeerkamer en dan kunnen jullie met zijn drieën in ons kingsize bed,’ zei ze. Ik legde vol ongeloof de telefoon neer. Het bestond niet dat iemand zoveel goedheid in zich had, om mensen die ze niet kende, haar eigen slaapkamer af te staan.

Het huisjes park van Danny en Myrta

Myrta en Danny ontvingen ons met open armen, leidden ons door het huis en wezen ons hun slaapkamer. Alsof dit ongelooflijke gebaar van goedheid niet voldoende was, vroeg Danny of we misschien trek hadden (uitgehongerd!). ‘Ik heb nog wat stukken vlees in de koelkast liggen,’ vertelde hij, ‘we kunnen verderop in de tuin de bbq aangooien, drankje en muziekje erbij en dan bouwen we een klein feestje. Misschien dat de andere gasten ook willen aanschuiven, we zien wel. Kom mee!’

Het werd een uitzonderlijke, onverwachte, gezellige avond, die tot in de vroege uurtjes doorging. Aangeschoten, van de wijn maar ook van de goedheid van deze mensen, praatten we in het grote kingsize bed nog even na, alvorens we in een diepe slaap vielen. We waren het erover eens. Dit was ongekend, het had werkelijk waar niet beter kunnen uitpakken. We stelden dat we die bitch dankbaar zouden moeten zijn dat ze ons had genaaid, met haar chalet. Want hoewel het kut was om zo gepiepeld te worden, had het ons alleen maar een toffe ervaring gebracht, om  nooit meer te vergeten.

Kruimels tellen

Ik ken weinig vrouwen die nog nooit hebben gedieet. Zelf heb ik de afgelopen 25 jaar heel wat geëxperimenteerd, met wisselend resultaat.

Nou heb ik de mazzel dat het bij mij vaak een kwestie is van een paar kilootjes. Het zijn net die twee centimeter waardoor mijn broek weer lekkerder zit of ik dat ene strakke jurkje toch weer aan kan. Maar of het nou gaat om die drie kilo van mij of die vijftien van een ander, wat we allemaal willen weten is: wat werkt echt? En in mijn geval ook nog: en hoe kun je toch blijven genieten?

Ik heb van alles geprobeerd. Alleen natuurlijke producten eten, dus geen koolhydraten uit brood, rijst en pasta’s, liever niets dierlijks en in plaats daarvan een overvloed aan groenten en fruit. Na achttien dagen mocht het resultaat er wezen, ik viel 3,5 kilo af, mijn huid straalde en ik voelde me goed. Maar je raadt het al, zodra ik klaar was, was ik ook echt klaar. Want hoewel ik er best inventief van werd in de keuken, was het niet wat je noemt zalig. Hoewel ik het nog redelijk lang heb volgehouden om geen alcohol te drinken, slopen het brood, de pasta’s en de biefstukjes dus met rasse schreden mijn leven binnen. En de centimeters daarna ook.

Een andere keer deed ik een radicale sap detox. Even kort afzien en snel resultaat boeken. Vijf dagen lang verruilde ik mijn maaltijden voor groenten- en fruitsappen. Het was moeilijk, maar te doen. Op dag 4 kreeg ik wel hongerklop en het water liep me al in de mond van het vooruitzicht spoedig weer mijn ontbijt shake (van havermelk, banaan, cacao, kokos en havervlokken) te mogen drinken. Het resultaat mocht er ook hier weer zijn, 3 kilo in vijf dagen. Dat was natuurlijk wel vooral vocht, wie hield ik voor de gek? De eerste dagen na de detox lette ik nog wel op, maar het mag geen verrassing zijn dat ik binnen no time weer terug bij af was.

Ook heb ik in extremis calorieën geteld om structureel onder de 1600 te blijven (vrouwen wordt gemiddeld 2000 geadviseerd) tot ik mijn streefgewicht zou bereiken. Ik telde elke kruimel die ik binnen kreeg. Dat zorgde ervoor dat ik wel twee keer nadacht als ik zin had in een frietje bij de Mac en dus bewuster koos voor calorie arme alternatieven. Erg vermoeiend, maar met resultaat. Voor het eerst in jaren was ik een tijdje op mijn ideale gewicht. Maar ook dit was op de lange duur niet vol te houden. Dus zodra ik stopte met tellen, omdat ik mijn doel had bereikt, kwamen ook mijn slechte gewoontes terug. 

Na vele malen afzien heb ik besloten dat een dieet volgen niet voor mij is. Ik hou van eten, ik ben dol op koolhydraten en ik vind de alternatieven (courgetti i.p.v. pasta, een salade i.p.v. brood) prima voor af en toe, maar absoluut geen structurele oplossing. En toch wil ik afvallen en slank blijven. Tegenstrijdig?

Nee! Ik denk nu mijn ultieme leefwijze (want het is geen dieet) te hebben gevonden. Doordeweeks maak ik bewuste keuzes en balanceer ik mijn voeding zo dat het voor 55% uit vetten, 30% uit koolhydraten en 15% uit eiwitten bestaat. ’s Avonds pasta? Dan ‘s middags geen brood. En in de weekenden ontzeg ik mezelf helemaal niets. Dan ontbijt ik gewoon mee met de croissantjes, eet ik bij de koffie een apfelstrudel met vanillesaus en drink ik gewoon mijn wijntjes. Deze modus werkt, want sinds eind november ben ik al 5 kilo kwijt. Eens, anders dan met die detox experimenten, is het droomresultaat een kwestie van een lange adem. Maar daardoor denk ik wel blijvend. En dat terwijl ik mijn bourgondische zelf niet verloochen. Win-win!

Iets

Mijn 1e communie

Toen mijn moeder, na de scheiding, met haar kinderen uit Mexico naar Nederland terugkeerde, was het klaar met mijn katholieke opvoeding. Van haar hoefde het niet zo, voor zover ik weet is zij zelf atheïstisch opgevoed. Dat zij zich liet dopen en meeging in het katholicisme deed ze alleen voor mijn vader. En misschien was ze anders door haar omgeving in Mexico ook niet geaccepteerd. 

Hoewel ze het katholicisme gedag zei, wilde toch op zoek naar ‘iets’ en in die zoektocht probeerde ze van alles. Eerst was er de Pinkstergemeente. Later zat ze in de fase die ik  ‘alles is liefde’ zal noemen. Nog later werd ze fervent aanhanger van de ideeën uit ‘The Secret’; het Universum dat werkt voor jou, je hoeft alleen maar te vragen en het vertrouwen hebben dat alles goedkomt. Dan zal dat ook zo zijn. 

Ze kan nog wel eens doorslaan, mijn moeder. Ze stort zich ergens in en grijpt dan elke mogelijkheid aan om haar omgeving te overtuigen dat ze de waarheid in pacht heeft. Meer dan eens heb ik me geërgerd aan haar obsessieve overtuigingsdrang. Zelfs bij een aardbei was ze in staat te zeggen dat een aardbei óók liefde is. Mijn broers, zus en ik maakten haar er zelfs een beetje belachelijk om, niet eens achter haar rug. 

In de fase erna, irriteerden ons haar goedbedoelde, maar o zo misplaatste adviezen. Had je een rotweek achter de rug, dan zei ze: ‘je hebt het zélf in de hand, je kíest er als het ware zelf voor om je rot te voelen.’ Het stoom kwam dan nog net niet uit mijn oren. Wat mij betreft was het allemaal zweverig gewauwel van mijn gekke moeder, waar ze me vooral niet mee moest lastig vallen.

Het kan verkeren. Hoe het zover is gekomen weet ik niet, het is geleidelijk gegaan, denk ik. Misschien  is het de leeftijd. Of wellicht heeft mijn bijna-burn out er iets mee te maken. Feit is dat ik tegenwoordig dagelijks tijd besteed aan dankbaarheid, aan affirmaties en aan een algehele positieve houding. Ik hoor mezelf zeggen: ‘nee hoor, het regent nooit op vrijdag als ik tennisles heb, ik heb een deal met het Universum,’ (want het regent echt nooit!). En ik constateer dat ik altijd een parkeerplek heb vlak bij de ingang, omdat ik dat nou eenmaal wil. Dan moet ik best wel gniffelen. Die gekke moeder van mij is misschien zo gek nog niet.

Emotie explosie

Ik stond in de keuken, wanhopig op zoek naar woorden die door die betonnen muur konden breken en tot haar doordringen. De lauwe kop koffie met havermelk hield ik onaangeroerd vast. Ik hield niet eens van melk in mijn koffie, maar ze had het al ingeschonken, ik kon het moeilijk meteen in de gootsteen leeggieten. 

Na wat ik als een afstandelijk telefoongesprek had ervaren, had ik besloten om toch maar een bezoek te brengen aan het nieuwe huis van mijn zus, waar ze al een paar weken aan het klussen waren. Ik had nog wat souvenirtjes voor ze uit Peru, die ik tijdens onze laatste lunch van vóór de Intelligente Lockdown was vergeten mee te nemen. Het zou een goede aanleiding zijn, dacht ik. 

Mijn moeder was enigszins verbaasd geweest me voor de deur aan te treffen. Ze vond het wel leuk, dacht ik, en tegelijkertijd miste ik iets van de hartelijkheid waar ik normaal gesproken op kon rekenen. Het gevoel dat ik aan de telefoon had overgehouden klopte dus. 

‘Kom je even binnen, een kopje koffie drinken?’ ze deed de deur iets verder open. 

Ik aarzelde. Mathijs en ik houden ons sinds het begin van de maatregelen netjes aan de adviezen. Bij iemand in huis op bezoek gaan voelde niet ok, ondanks dat het advies het ons niet verbiedt. Toch besloot ik dat het goed zou zijn me eroverheen te zetten en even binnen te komen.

‘Ga even opzij dan, dan kan ik erlangs.’ Het huis heeft slechts een klein halletje, er passen nauwelijks twee mensen, dus anderhalve meter afstand houden was onmogelijk zolang ze er zou blijven staan. 

Ze snoof. ‘Meen je dit nou?’

‘Je wil toch dat ik binnenkom? Dan moet je even ruimte maken.’

Wat ze daarna precies zei weet ik niet meer, ik zag er in elk geval wel de aanleiding in over het telefoongesprek te beginnen. ‘Ik had wel door dat je het me kwalijk neemt hoor, aan de telefoon…’

‘Ja ik ben boos!’ zei ze. ‘Boos dat mensen zich zo laten leiden door angst en zich van alles op de mouw laten spelden.’

‘Niet mensen mam. Je bent boos op mij, dat ik me aan de maatregelen houd.’ Ik deed mijn best mijn stem niet te verheffen en rustig te blijven, maar de frustratie en irritatie maakten zich hoe langer hoe meer van mij meester. 

Ze gaf het toe. Ze was boos op mij. En teleurgesteld, dat ik de waarheid niet wilde zien. Dat ik meeging met de hysterie. Dat ik angstig was. Dat ik niet de moeite nam de informatie die ze me toe speelde, waaruit ik de waarheid kon opmaken, te lezen. Dat ik er niet meer op reageerde. Het had haar verdriet gedaan, zei ze, dat ik haar niet binnen had gelaten toen ze voor de deur stond. Het deed haar verdriet dat ze haar kinderen niet kon knuffelen door die ‘rot regering’. 

Ze was liever boos dan dat ze naar andere manieren zocht om leuk en goed contact te onderhouden, was mijn conclusie. Ze wilde liever blijven hangen in het onrechtvaardige van de situatie, dan alle andere mooie, creatieve manieren waarop mensen nu voor sociale interactie zorgen, te omarmen. Het raakte me meer dan ik had gedacht. Ongewild liet ik me meeslepen in een heftige discussie over de waarheid van Corona. Háár waarheid over Corona, althans. Al mijn argumenten ten spijt, ze was onvermurwbaar, wilde nergens naar luisteren, had op alles wat ik zei een weerwoord. 

In de korte tijd dat ik binnen was, het zal niet langer dan een kwartier zijn geweest, was de sluimerende hoofdpijn waarmee ik was binnengekomen (een tekort aan koffie, nam ik aan), veranderd in een aaneengeregen gebonk dat mijn oren deed suizen. Ik had hier geen zin in, noch de energie voor. Met ferme pas, vast van plan een einde aan het bezoek te maken, liep ik naar de gootsteen en gooide alsnog het kopje leeg. 

‘Ik vind het toch niet zo lekker, met havermelk,’ zei ik, als antwoord op het schuldgevoel dat me vrijwel direct had bekropen. 

Zij bleef ondertussen doorratelen over 5G en de WHO die nu de macht had overgenomen en verplichte vaccinaties en Bill Gates. Ik trok het niet meer. ‘HOU OP! Hou gewoon op! Waarom wil je me zo graag jouw gitzwarte beeld van de wereld opdringen? Waarom wil je zo graag dat ik net als jij geloof in de slechtheid van de mens? Waarom gun je me niet gewoon mijn schijnbare onwetendheid?’ viel ik uit. Ik voelde hoe de rode vlekken zich over mijn gezicht en hals verspreidden, mijn wangen gloeiden.

Want dat was eigenlijk de hamvraag. Niet zozeer waarom zij persé wilde geloven in al haar theorieën. Dat is ieders goed recht, zoveel mensen zoveel meningen. De vraag was waarom ze een allesomvattende drang had om mij (en met mij vele anderen) van die zienswijze te overtuigen. Als ik in haar ogen ‘onwetend’ was, en in die onwetendheid gelukkig, waarom wilde ze mijn hoofd dat vullen met zorgen? Als ik binnen de beperkende omstandigheden een manier had gevonden om vriendschappen nog meer te koesteren, relaties nog beter te onderhouden, sociale contacten misschien zelfs te intensiveren, al was het maar digitaal, en me daarin tevreden en happy zag, waarom wilde ze me dat ontnemen, door haar wereldbeeld op te dringen? En bovenal, als ik een overtuigend vertrouwen had in de goedheid van de mens, een vertrouwen dat dit maar tijdelijk is, dat we hier als mensheid alleen maar van zullen leren en groeien, waarom wilde ze dat vermorzelen en vervangen door wantrouwen waar ik ’s nachts wakker van zou liggen? Waar was dat goed voor?

Ze had er niet echt een antwoord op. Misschien was ik toch in staat geweest om in elk geval díe boodschap over te brengen. Maar ik moest er weg, ik was leeg. Ze kwam dichterbij toen ze de tranen over mijn wangen zag rollen. Wilde me omhelzen, zag ik. Ondanks mijn anderhalve meter policy nam ik het aan, want ik vermoedde dat zij er ook behoefte aan had. 

‘Sorry,’ zei ze nog, ‘ik hoop dat jij gelijk krijgt.’ 

‘Ik ook.’ zei ik en liep toen de deur uit. 

Ik had nog een hele dag in het vooruitzicht, maar had geen energie meer over. Onderweg naar huis bekritiseerde ik mezelf om mijn actie om haar een bezoek te brengen. Wat een slecht idee was dat. Ik had immers al vooraf kunnen weten waar het heen zou gaan, ze zou nooit in staat zijn over koetjes en kalfjes te praten zolang dit onderwerp haar zo hoog zat. Hoe moesten we ooit nog normaal met elkaar omgaan, als het weer kon? 

Terwijl ik wachtte tot de koffiemolen zijn werk had gedaan, bedacht ik me dat het ergens toch ook wel voelde alsof er een last van mijn schouders was gevallen. Dat ik eindelijk in staat was geweest een weerwoord te geven had tot een niet al te prettige discussie geleid, maar het was nu in elk geval uit mijn systeem. Eindelijk, na weken opgekropte frustratie was ik het kwijt. Want hoewel ik in de tussentijd vaak zat mijn ongenoegen had geuit bij gelijkgestemden, voelde het, achteraf gezien, toch niet zo bevrijdend als tegen de hoofdpersoon zelf zeggen waar het op staat. 

Ik moest terug denken aan een reis die ik eerder had gemaakt. Er was toen een moment geweest waarop ik me afvroeg wanneer je, als onderdeel van een groep, stopt met geven en begint met nemen. Want de frustratie die ik al weken bij me droeg had weliswaar te maken met de huidige situatie, maar als ik eerlijk was, cijferde ik mezelf of liever gezegd mijn mening of mijn wensen al te vaak weg ten gunste van de ander. Ten gunste van de sfeer. Ten gunste van de groep. Dat deed ik, nu ik er zo over nadacht, vaker dan goed voor me was. Als de ander blij was, de sfeer goed was, de groep geen onenigheid had, dan was alles goed. 

Maar alles is niet goed als ik steeds woorden, gevoelens, wensen, verlangens, meningen en emoties wegstop, ondergeschikt maak aan die van een ander. Kun je werkelijk jezelf zijn als je bij elke discrepantie altijd toegeeft? Geniet je dan net zoveel als de ander van het moment? Groei je dan net zoveel als de ander groeit? Leef je dan net zo intens als degene aan wie je toegeeft? Ik dacht altijd van wel, dat ik juist blij werd van conflictmijdend gedrag. Want spanning en conflicten – hoe klein en onbeduidend ook, zelfs als ik er zelf niet actief in betrokken ben –  veroorzaken negatieve energie die zwaar op me leunt. 

Na vandaag denk ik er anders over. Ook op mijn woorden letten, op mijn tenen lopen, met iedereen rekening houden vergt veel negatieve energie. En het eruit gooien is niet leuk, maar lucht wel op. Misschien is het dus tijd dat ik voortaan mezelf op één zet. Dat betekent niet dat ik nooit meer, in het belang van de ander, de groep of de sfeer, mag toegeven. Het betekent wel dat ik er op zijn minst elke keer weer een weloverwogen beslissing van maak. Waarbij de gedachte “straks voelt de ander zich rot” of “straks wordt de ander boos” geen show-stopper meer mag zijn.

Beproeving

Ik luister naar het geruststellende, zalvende stemgeluid van Deepak Chopra, mijn ogen gesloten, mijn lichaam in rust. Zelfs als de boodschap die hij verkondigt totale bullshit zou zijn, zou het lastig zijn er niet in te geloven. Bijzonder hoe een stemgeluid zoveel wijsheid kan uitstralen. 

Vijftien dagen geleden ben ik eraan begonnen: The 21 days of Abundance meditation. Ik ben op dag dertien, want halverwege de eerste week heb ik wat hiccups gehad, omdat ik me nogal makkelijk liet afleiden door van alles en nog wat dat moest gebeuren. Maar nu ben ik op dreef. En dus luister ik naar zijn wijze woorden. De simpele en welbeschouwd logische uitleg van hoe het universum je helpt in overvloed te leven. 

Als ik klaar ben met mediteren leg ik de focus nog een keer op het centrale thema van vandaag: ‘As I let go of the need to arrange my life, the universe brings abundant good to me’. Ik voel me licht en wederom bevestigd in de gedachte dat het inderdaad zo werkt, het universum is er voor jou, als je het toelaat. 

Maar dan slaat de realiteit van vandaag weer aan alle kanten toe. De wereld is in crisis. Mensen verdeeld in degenen die angstig zijn en anderen die juist bagatelliseren. Mensen die tegenover elkaar staan omdat de een de situatie ernstig neemt en vindt dat hij de verantwoordelijkheid moet nemen en de ander, die vindt dat het een zoveelste complot betreft van overheden en pharma industrie om ons klein te houden en vaccins op de dringen. Hoe valt dat te rijmen met de boodschap van een universum dat voor ons werkt? 

Zelf snotter ik en moet ik bovengemiddeld vaak niezen. Dit is geen allergie meer, het zat eraan te komen. Even laat ik me overmannen door angst, als ik me focus op mijn ademhaling en luister naar het gepiep dat ik zo even dacht te horen en te voelen. Wat nou als ik straks echt kortademig word? Maar dan neemt mijn vertrouwen het weer over. Ik ben ‘jong’, ik ben fit, we eten gezond: ik ben verkouden. Misschien zijn het wel lichte verschijnselen van corona, in dat geval: prima, dan heb ik het maar gehad. 

Terug dus naar Deepak. Dat de wereld nu bij wijze van spreken in brand staat, bedenk ik me, is misschien juist het geschenk van het universum aan de mensheid. Gisteren verschenen op het nieuws radarbeelden van afgenomen stikstofgehalte boven Italië, China, zelfs een beetje Nederland. Vanmorgen zag ik beelden op Twitter voorbijkomen: Venetië heeft voor het eerst in zestig jaar helder water door de kanalen lopen. Er zijn weer vissen en zwanen gespot en zelfs hier en daar een dolfijn! En dat terwijl Italië pas tien dagen op slot zit. Tien dagen van mensen die binnen moeten blijven en dus geen lucht vervuilen met uitlaatgassen, geen straten volgooien met afval, de kanalen niet bevaren met eindeloze aantallen gondola’s met bijbehorende shit die onbeschofte toeristen het water in flikkeren. Tien dagen is de mens beperkt en de natuur neemt het weer over.

De natuur is onoverwinnelijk. Ik heb me er al eens eerder over verbaasd. Bijvoorbeeld toen ik vorig jaar in Rome tussen de ruïnes liep van wat vroeger het kloppend hart van een immens keizerrijk was. Overal, echt overal zag ik onder, boven, tussen al die stenen die ooit machtige gebouwen waren, begroeiing. Planten die hun weg vonden over stenen die er ooit door mensenhanden waren neergezet. Planten dus. Op steen. 

Wij vinden onszelf oppermachtig, omdat we het vermogen hebben om te denken, te ontwikkelen, te verbeteren, uit te vinden, elke keer opnieuw. Wij zijn niet oppermachtig. De natuur is oppermachtig. Dat laat Venetië maar al te goed zien. Niemand weet hoe lang dit nog gaat duren. Maar dat het effect zal hebben (en al heeft!) op het leven zoals we dat tot nu toe gekend hebben is een ding dat zeker is. Al is het alleen al omdat we in een surreële situatie zitten die we ons een paar weken geleden niet eens hadden kunnen voorstellen.

Wellicht is dit wel de beproeving van onze generatie. Onze (over)grootouders hebben oorlog gekend. Dood en verderf, schaarste, honger, echte gefundeerde angst, wantrouwen in een ieder omdat dát het verschil kon maken tussen leven en dood. Wat hebben wij nou helemaal meegemaakt? Oké, elf september was wel een serieus en angstig en ingrijpend iets. En toch heeft het ons dagelijks leven híer niet ingrijpend beïnvloed. Laten we eerlijk zijn. Wij hebben tot nu toe fluitend door het leven kunnen gaan en worden ineens geconfronteerd met steeds verdergaande beperkingen in onze bewegingsvrijheid en onze mogelijkheden. Als dit onze beproeving is, dan teken ik ervoor. En net zoals dat met de heldere kanalen van Venetië is gegaan heb ik er alle vertrouwen in dat het uiteindelijk ook met ons goed zal komen. 

 

Déja vu

Terwijl ik de kaartjes schrijf met een persoonlijke boodschap voor mijn jongens en lieftallige echtgenoot voel ik weer die brok in mijn keel en de spanning door mijn lijf razen. Het zijn niet de kaartjes. Ik laat bij elke trip een briefje voor ze achter met een boodschap voor elk van hen. Om ze te laten weten dat ik van ze hou en dat ze precies goed zijn zoals ze zijn. Alleen toen was ik steeds maar vier, maximaal vijf dagen weg. Een lang weekend ergens in een Europese stad op maximaal drie uur vliegen van Schiphol. Dit keer is het anders. Dit keer vertrek ik voor veertien dagen en zit ik ook nog eens op zeventien uur vliegen hier vandaan. Het gevoel dat me bekruipt herinnert me aan mijn stage, nu alweer twintig jaar geleden. 

Toen ik hoorde dat een stageplek in een resort in Cancun, Mexico, tot de mogelijkheden behoorde, voelde ik meteen: dit moet ik doen! Dat gevoel werd echter snel verdreven door de mitsen en maren. Wat als onze relatie geen stand houdt, zo acht maanden van elkaar gescheiden? Wat als ik hem zo erg ga missen dat ik het er helemaal niet naar mijn zin heb? Is het niet veel beter voor mijn carrière om gewoon in Nederland stage te lopen? De kans op een aanstelling na stage is immers veel groter. Na veel wikken en wegen besloot ik dat ik, ondanks alle tegenwerpingen, moest luisteren naar mijn allereerste ingeving en moest gaan. Weken van voorpret en voorbereiding gingen er voorbij. Ik kon niet wachten tot het zover was, het avontuur tegemoet.

Tot het echt dichtbij kwam. Tot het in alle heftigheid tot me doordrong dat ik ACHT maanden weg zou zijn. Dat ieders leven hier zou doorgaan zonder mij. Dat alles misschien wel anders zou zijn als ik terug was. Ik had er onwijs veel zin in en vond het verschrikkelijk tegelijk. 

Zo voelt het nu ook. Ik kan niet wachten om die reis te gaan beginnen waar ik zoveel tijd aan heb besteed in de voorbereiding. Maar het achterlaten van mijn gezin weegt me toch zwaar. Mijn jongens niet kunnen knuffelen zo lang, er niet voor ze zijn. Toegegeven, het is wat overdreven, je kunt veertien dagen onmogelijk vergelijken met acht maanden. Dat maakt echter de spanning er niet minder om. Ik moet uit mijn comfortzone. Ik moet loslaten en erop vertrouwen dat ze heus oké zullen zijn zonder mij. Het komt ook echt goed. De reis wordt ook gewoon heel tof. Het wordt een ervaring om nooit te vergeten, eentje waar ik met volle teugen van ga genieten, net als ik heb gedaan tijdens mijn stage, ondanks de keerzijde. Die ervaring pakt ook niemand me meer af.